#813: Fernando de Noronha

Wat is het?
De Braziliaanse Atlantische eilanden: Fernando de Noronha en Atol das Rocas zijn essentieel voor het behoud van de diversiteit van het zeeleven in de zuidelijke Atlantische Oceaan. De eilanden liggen ruim 340 kilometer van de Braziliaanse kust in de open oceaan. Vissen, walvisachtigen, zeevogels en schildpadden foerageren hier voordat ze de oversteek maken naar Afrika.

Cijfer: 8 (Ik bezocht alleen Fernando de Noronha, het Rocas atol is verboden voor toeristen. Het nationaal park op en om Noronha is zeer goed georganiseerd en onderhouden. Het is niet zo uniek als bijvoorbeeld de Galapagoseilanden, maar de grote hoeveelheid dolfijnen en het strand van Leão zijn indrukwekkend.)

Toegang: Je betaalt bij aankomst op het vliegveld een milieutax per dag (87 reais / 16 EUR). Verder is een parkpas nodig, die je op een aantal plaatsen op het eiland zelf kunt kopen. Deze kost 358 reais (66 EUR) en is geldig voor 10 dagen. Hij komt in de vorm van een creditcard-achtig kaartje met het werelderfgoedlogo erop. Deze moet je steeds laten scannen als je het park binnengaat, ook als je de boot op gaat.

Hoeveel tijd: Ik was er 3 dagen.

Opvallend: Je kunt alleen vanaf de Braziliaanse steden Natal en Recife naar Fernando de Noronha vliegen. Ik koos voor Recife, een vlucht van 1 uur en 20 minuten. In de ochtend vertrekken er meerdere vluchten, ze vliegen ook maar met kleine vliegtuigen met maximaal 50-70 passagiers. Ik werd zelfs op een eerdere vlucht gezet (voor het eerst dat mijn naam werd omgeroepen op het vliegveld!), waarschijnlijk om wat gewicht aan het vliegtuig toe te voegen. Met een VIP busje werd ik naar het vliegtuig vervoerd, waar maar een stuk of 12 passagiers in zaten.

Het eiland is zo klein, 17 vierkante kilometer, dat je het pas ziet liggen als de daling al lang is ingezet. De aanvliegroute laat al wel een voor Fernando de Noronha typisch landschap zien.

Op mijn eerste middag liep ik van het stadje Remedios naar de noordpunt van het eiland. Dit is ook onderdeel van het nationaal park en het werelderfgoed, maar hier hoef je niet te betalen. Ik zag er mijn eerste lokale strand, de overblijfselen van twee Portugese forten en een aantal vulkanische eilanden voor de kust. Met behulp van mijn superzoomcamera ontdekte ik op één van die eilanden mijn eerste opvallende vogel: de Maskergent.

De volgende ochtend maakte ik een boottocht van 3 uur langs de westkust. We waren met een groepje van 12, allemaal weer uitsluitend Brazilianen behalve ik. Buitenlandse toeristen komen hier niet veel.

We cirkelden eerst rond de Secundaire Eilanden, dezelfde die ik gisteren vanaf de kust zag. Visueel de meest aantrekkelijke is het eiland Cuscuz, in de vorm van een bowlingbal. De zwarte resten van lavastromen zie je ook veel aan de kust, aangezien deze archipel van vulkanische oorsprong is. De vreemd gevormde hoogste top van het eiland, Morro do Pico, blijft ook steeds de aandacht trekken.

Precies in de beroemde Baía dos Golfinhos (“de enige bekende plaats ter wereld met zo’n grote populatie dolfijnen”) kwamen we de langsnuitdolfijnen tegen. Ze bewogen zich snel in koppeltjes voort, maar lieten zich goed zien door volledig uit het water te springen.

Op de terugweg hadden we tijd om te zwemmen bij het strand van Sancho. Ik bleef aan boord, bestudeerde de bomen langs de kust en vond daarin veel paartjes roodpootgenten.

Zelfs de kleurrijke tropische vissen kon ik goed zien vanaf de boot, het water is erg helder.

Op de derde dag deed ik een 6 kilometer lange, zelf verzonnen wandeling langs de zuidelijke bezienswaardigheden. Ik begon bij Praia de Leão, het mooiste strand dat ik op het eiland heb gezien. Het heeft een bijzonder gevormde rots in de baai en een indrukwekkende reeks natuurlijke poelen.

Tussen de rotsen zag ik een rotscavia rondscharrelen, een schattig knaagdier maar een soort die geintroduceerd is op het eiland.

Vlakbij ligt het Sao Joaquim Fort: alleen 4 roestige kanonnen zijn ervan overgebleven. Vanaf daar heb je een mooi uitzicht op de Baai van Sueste. Deze baai is de broedplaats voor schildpadden, en heeft de enige mangrove in de Zuid-Atlantische Oceaan en het laatste stukje Atlantisch regenwoud dat voorkomt op de eilanden. Behalve de mangrove zijn deze echter niet gemakkelijk te zien of te onderscheiden.

Op de ochtend voor mijn terugvlucht bezocht ik Baia Golfinhos en Sancho Beach. Deze twee had ik eerder al vanaf zee had gezien. Baia Golfinhos is waar de dolfijnen ontbijten. Ze komen iedere dag hier langs en eten hier voordat ze de oceaan in zwemmen. Het uitkijkpunt is open vanaf 6.30 uur, zo vroeg beginnen ze langs te komen. Ik was er om 7.30 uur en zag nog steeds veel kleine groepen arriveren, in totaal ongeveer 40 individuen in een uur tijd.

Het uitkijkpunt bevindt zich recht boven een rust- en nestplaats van roodpootgenten, dus die kon ik ook beter op de foto krijgen.

Vanaf de baai loopt er een 1200 meter lang kustpad naar Sancho Beach, dit is een zeer aangename wandeling die een paar hagedissen en meer vogels aan mijn lijstje toevoegde. Sancho Beach is het breedste zandstrand van het eiland en wordt het meest gebruikt om te zwemmen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s