Daar! In die groene boom….

Ik was “even” zes dagen weg uit de beschaving. Een tour naar en door het zelden bezochte en ongerepte Manu Nationaal Park. Negen medereizigers, vijf verschillende nationaliteiten. Plus een gids, een schipper, een hulpje en een kok.

Dag 1: naar het nevelwoud

Iets voor zessen in de ochtend verlaten we Cuzco per bus. We rijden door de bergen de stad uit, langs de Inca-ruïnes van Sacsayhuamán en Pisac. Het is nog behoorlijk koud zo in de ochtend. In de dorpjes waar we voorbijrijden vallen de reliefs op de huizen op: symbolen, dieren – een soort hedendaagse Nazca-lijnen.

Om negen uur hebben we een ontbijtstop in Paucartambo. Het is een leuk wit Spaans-koloniaal plaatsje. Er zijn hier zelfs meer toeristen aanbeland, vast ook op weg naar Manu. We kijken binnen bij een traditionele bakker met een hele grote houtoven. Ook hebben ze hier de straattegels versierd met reliëfs en symbolen.

We vervolgen onze weg door de bergen. Het wegdek is onverhard, maar de stevige bus redt zich goed door alle plassen en kleine aardverschuivingen heen. Om half 12 in de ochtend komen we bij het bordje “Manu Nationaal Park”. Dit is het begin van wat de “Culturele Zone” heet – hier wonen nog mensen. We zitten inmiddels helemaal in de nevel, en de weg is een glibberige modderboel.

Een uur voor aankomst bij onze overnachtingsplaats stappen we uit de bus en gaan te voet verder over de weg. Er is hier een favoriete hangplek voor de mannelijke Andean Cock-of-the-rock (“rode rotshaan” in het Nederlands): ze showen hun oranje veren opzichtig om vrouwtjes te lokken. Er zitten er hier een heleboel, en we kunnen vanaf een platform foto’s maken. We zien daarnaast nog meerdere blauwe mogmog, een quetzal en onze eerste kapucijnaapjes. Mijn pas aangeschafte verrekijker bewijst al zijn waarde, zonder zo’n ding zijn met name de vogels nauwelijks te zien.

We brengen de nacht door in de eenvoudige houten San Pedro Lodge, waar we de enige gasten zijn. Voor negenen gaat iedereen naar bed.

Een dichte laag planten en bomen

Een dichte laag planten en bomen

Dag 2: over de Madre de Dios-rivier

Na het ontbijt om zes uur starten we de dag met een half uurtje wandelen. We zitten op de hoogte van de boomtoppen, en kunnen er veel kleine kleurige vogels zien. Je hebt hier ook geweldige vergezichten over het dichte woud, en er zijn watervallen waar nog heel wat water naar beneden komt ondanks dat het geen regenseizoen meer is.

We maken een korte stop om wat brood in te slaan in Patria, een armoedig dorp. De huizen zijn van hout maar gelukkig hebben ze wel satelliet TV. Daarna stoppen we wat langer in ander dorp, een soort truckstop. Hier zijn wat winkels en het is een grappige plek om wat rond te struinen.

In de havenplaats Atalaya is het eindelijk tijd om het land achter ons te laten en de rivier op te gaan. We mogen eerst nog laarzen uitzoeken – een must in het regenseizoen, en nu vast ook nog wel een keer handig. Onze boot is een lang, smal houten schip waar je met z’n drieën naast elkaar zit. Er is nog ruimte genoeg over voor al het eten dat we meenemen.

We maken een lange boottocht van vijf uur over de Madre de Dios rivier. Deze is heel breed en op sommige plaatsen met behoorlijk wat golfen. Je ziet dan ook niet veel aan de waterkant. De enige opwinding komt als er drie wezels worden gespot, lopend over het strand.

Om vijf uur in de middag komen we aan bij de mooie Yuni-lodge. Na het avondeten doen we onze eerste avondwandeling. We schuifelen in een rij over het bospad in de buurt van de lodge, ieder met een eigen zaklantaarn. De gids probeert insecten te vinden, en peutert een tijdje met een stokje in een hol van een tarantula. Deze laat echter alleen zijn pootjes zien. Het “enge-insecten-gehalte” valt me gelukkig erg mee, ik heb in de Braziliaanse Pantanal en ook in Afrika wel engere beestjes gezien.

Onze boot op de Madre de Dios-rivier

Onze boot op de Madre de Dios-rivier

Dag 3: de Beschermde Zone in

Het vertrek is weer vroeger vandaag: om zes uur al gaan we met de boot op pad, de Beschermde Zone in. Dit is wel waar we het allemaal voor doen, het echte ongerepte deel van het nationaal park. Daar waar op wat primitieve indianenstammen na geen mensen leven of werken. Al snel verlaten we de Madre de Dios rivier voor de meer modderige maar ook smallere Manu-rivier. Het is hier al snel raak voor de vogelspotters, hoewel het aanwijzen van hele kleine groene vogels in groene bomen vanaf een snelvarende boot wel een zoekplaatje oplevert. “Daar! In die groene boom…”. Je ziet hier veel parkieten en papagaaien, je herkent ze wel aan hun bewegingen.

Vrij aan het begin van de Manu-rivier ligt het Manu-bezoekerscentrum. Elke groep en ieder individu moet zich hier inschrijven. Op dit moment zijn er naast ons nog twee andere groepen in het park, dat een totale oppervlakte heeft zo groot als Wales. Uit de administratie blijkt dat er dit jaar zo’n 300 bezoekers zijn geweest. In een vol jaar komen er zo’n 2500, dat is even veel als op één dag in Machu Picchu. De landing hier is wel een bijzondere, je moet over een lange boomstam balanceren om boven te komen. Het lukt mij om bij de eerste stap mijn rechteronderbeen in de modder te zetten – ik dacht dat je er wel op kon staan….

Na een minuut of 10 varen we weer door. Op takken in het water liggen schildpadden te zonnen. De stranden zijn het terrein van de kaaimannen, witte en de grotere zwarte – ze lijken net boomstronken en liggen onbewogen aan de rand van het water. We zien er eentje van wel vier meter lang. Hij laat ons ook even zijn tanden zien. Twee tapirs klauteren net de walkant op als we voorbijvaren.

Na een lunch op het water, klaargemaakt door onze eigen kok, komen we om  twee uur aan bij de Sacha Vaca lodge. Deze is nog eenvoudiger dan de vorige twee: er is hier ook geen elektriciteit via een generator meer. We eten bij kaarslicht en we slapen ieder in een eigen houten hut, tussen de bomen.

In een half uurtje lopen we aan het eind van de middag naar het Salvadormeer. Hier ligt een houten vlot dat door alle groepen in het park gedeeld moet worden. Gelukkig is het rustig, en kan onze groep zowel vandaag als morgenochtend het water op. De gids en het boothulpje peddelen ons over het ongerepte meer. Het is prachtig helder weer vanmiddag. We zien weer veel vogels, en een enkele zwarte kaaiman. Veel lawaai in de bosjes duidt op de aanwezigheid van de Hoatzin, een grote vogel met een punkachtige kuif die niet goed kan vliegen en dus altijd met een noodlanding ergens terecht komt. Erg mooie vogels wel, en gelukkig beter te zien en te fotograferen dan het gemiddelde vogeltje hier in het park.

Het meer is de vaste woonplek van een groep Reuzenotters, een bedreigde diersoort. Ze blijken echter niet thuis vanmiddag. Op de plek waar de gids hun nest weet, is het verlaten. Morgen gaan we het weer proberen. Op de terugwandeling zien we nog een stel brulapen in de bomen.

Het lukt me ’s avonds nog net om het diner naar binnen te werken: om acht uur ga ik doodmoe naar bed.

Hoatzin

De Hoatzin, oftewel de “Punk Bird”

Dag 4: nogmaals het Salvadormeer

De brulapen blijken de hanen van het regenwoud te zijn, want om vijf uur maken ze iedereen wakker met hun gegrom. Maar we moesten toch al vroeg opstaan: om zes uur zijn we terug met het vlot op het Salvadormeer, in de hoop vandaag wel otters te zien. Het blijft voorlopig nog bij vogels, waaronder de prachtige groene ibis. Voor één van de Britse reisgenoten slaat het drama toe als zijn camera in het water valt, na een onverwachte manoeuvre van het houten vlot. De gids en de hulp proberen in het water te duiken om hem nog boven water te krijgen, maar zonder resultaat. Het meer is niet erg diep, maar het water is troebel en de bodem is bezaaid met takken zodat het lastig vissen is.

Leuker wordt het als onze gids roept “Links. Otters!” En inderdaad, vlak aan de waterkant zwemmen er drie. Het zijn drie volwassen dieren. Soms verdwijnen ze een tijdje onder water of tussen de bladeren, maar met een verrekijker zijn ze goed te volgen. Eentje heeft een heel grote vis gevangen voor het ontbijt, ongeveer half zo groot als hijzelf. Stevig tussen zijn voorpoten geklemd weet hij het luid smakkend in een minuut of 10 helemaal op te eten.

Op de terugwandeling door het bos naar de lodge vermaken we ons nog een tijdje met het kijken naar slingerapen. Ook hier komt de verrekijker weer goed van pas (en krijg je op het laatst een stijve nek van het naar boven staren). Het zijn hele lenige zwarte aapjes, die zich onverschrokken van de ene boomtop naar de andere weten te slingeren. Je kunt haast niet zien wat de armen of benen zijn.

Na het ontbijt gaan we aan de andere kant van de Manu-rivier op zoek naar wolapen. Zij leven alleen aan die kant van het park, en hebben nooit de rivier weten over te steken. De wandeling gaat twee uur duren, maar al na 10 minuten weet één van de scherpe reisgenoten een groep wolapen in de bomen te spotten. Dit is een grotere apensoort, en ze reageren ook anders op onze interesse. Ze slaan wat met takken om zich heen en kijken boos naar beneden.

In de late namiddag pakken we nogmaals de boot. Dit keer gaan we naar het Otorongomeer – net als het Salvadormeer ontstaan nadat een bocht in de rivier door erosie geïsoleerd is geraakt van de hoofdstroom en geen toevloed van water meer krijgt (een zogenaamd Hoefijzermeer). Helaas mag je hier niet het water op, en moet je het meer vanaf een hoge uitzichttoren bekijken. Veel meer dan wat vogels zien we dan ook niet. “Otorongo” betekent “jaguar” – deze katachtigen schijnen hier in relatief grote getalen rond te lopen, maar verder dan een paar pootafdrukken zijn wij ze op onze trip niet tegengekomen.

Wolaap

Eén van de gespierde wolapen

Dag 5: de lange reis terug

Dag 5 is eigenlijk de laatste dag van mijn tour, de rest van de groep doet de 7- of 9-daagse variant. Maar gisteravond heb ik al te horen gekregen dat er voor mij vandaag geen vlucht terug naar Cuzco is. Als er nauwelijks passagiers zijn, annuleert de vliegmaatschappij de vlucht voor die dag. Ik zal deze extra nacht doorbrengen in de Yuni Lodge vlakbij het vliegveld.

Maar eerst moeten we nog helemaal terugvaren, de Beschermde Zone uit. We zien weer veel vogels en kaaimannen onderweg. Bij het bezoekerscentrum melden we ons af. We maken een stop in het plaatsje Boca Manu, dat zoals de naam al zegt aan de monding van de Manu-rivier ligt. We zijn weer terug in de bewoonde wereld, er is een café (meerdere zelfs) waar ze bier verkopen, een winkel vol frisdrank en chips, telefoon en er schijnt zelfs internet te zijn. De mensen in dit nog steeds erg afgelegen dorp leven van de houtbewerking – ze maken o.a. schepen van de enorme boomstammen die de rivier af komen drijven of die ze anderszins weten te bemachtigen. We zien (horen) een schooltje, en er is een houten kerk.

De lunch is nog gezamenlijk, en dan kan ik om twee uur de boot met de rest van de groep uitwuiven. Ik blijf achter in de op het beheerdersechtpaar na geheel verlaten lodge. Na het eten doen ze om kwart voor zeven de generator uit, en is het donker in het hele complex. Het is hier trouwens opvallend vroeg donker: om ongeveer half 6. De volgende ochtend om half 6 is het dan ook al weer licht.

De protestantse kerk van Boca Manu

De evangelisch-protestantse kerk van Boca Manu

Dag 6: vlucht naar Cuzco

Ik word verwend met pannenkoeken in mijn eentje aan het ontbijt in de Yuni Lodge. Ik krijg weer hetzelfde gevoel als in Lukla (Nepal) – het wordt een dag van wachten op een vliegtuigje dat wel of niet komt. Het vertrek is aangekondigd voor 9 uur. Ik ga maar een boek zitten lezen in het restaurant van de lodge, en wacht wel tot er iets gebeurt.

Rond een uur of 8 legt er een motorboot aan bij de lodge. Twee Peruanen stappen uit, en lopen richting het vliegveld dat een paar honderd meter verderop ligt. En even later nog een boot, met vier Amerikaanse toeristen en hun gids. Er zit in ieder geval beweging in. De gids gaat het laatste nieuws halen op het vliegveld. Het vliegtuig moet eerst uit Cuzco komen.

Om half 9 komt het bericht dat het vliegtuig uit Cuzco is vertrokken. We lopen nu naar het “vliegveld” – een landingsbaan van gras, en een houten hut op palen die dienst doet als aankomst- en vertrekhal. De twee Peruanen die ik eerder vanochtend zag aankomen blijken het voltallige personeel van het vliegveld te zijn. Ze kletsen wat over de radio, en laden onze bagage in een kruiwagen. Net als in Nazca word ikzelf en mijn bagage weer gewogen. Tegen half 10 landt het vliegtuig, en laadt 6 verse toeristen uit.

Het vliegtuigje is een Twin Otter, en er kunnen 18 man in. We zijn dus maar met zijn vijven vandaag. Er wordt geen tijd verspild: de piloten blijven gewoon zitten, eentje draait zich om naar ons en zegt “daar zijn de nooduitgangen, en als dit lichtje gaat branden moet je de zuurstofmaskers opdoen”. Ze starten de motoren, en houden de schakelaar met zijn tweeën vast. Het vliegtuig heeft geen lange aanloop nodig en komt bijna meteen van de grond.

Het eerste deel van de vlucht gaat over het dichtbeboste Manu-gebied. Ook uit de lucht erg imposant. Daarna gaan we flink stijgen, door de wolken. Cuzco ligt met zijn 3400 meter zo’n 2000 meter hoger dan Boca Manu. Als we de bergen over moeten, gaat het zuurstoflampje aan – ik heb dat nog nooit meegemaakt op een vlucht, maar de Amerikanen hadden me vooraf al verteld dat dat op de heenweg ook al gebeurde. Het zal er hier wel bijhoren. De techneut/boordwerktuigkundige helpt ons de kapjes op te doen, bij
afwezigheid van een stewardess. En inderdaad ademt dat wel een stuk prettiger.

Na veertig minuten landen we veilig op het vliegveld van Cuzco wat midden in de stad ligt. Ook daar wordt geen moeite verspild aan formaliteiten – we worden naar een kantoortje geloodst waar de bagage al klaar ligt en mijn transport staat te wachten. Het einde van een tour die wel weken leek te duren, door de variatie aan landschappen en het echte “ver van de beschaving”-gevoel. Vooral ook een succes door de prima organisatie (Pantiacolla) en de leuke internationale groep.

Vliegveld

Het vliegveld bij de Yuni Lodge. Dit is alles: landingsbaan, vertrek- en aankomsthal

4 gedachtes over “Daar! In die groene boom….

  1. Hoi Els,
    Nu je in La Paz bent: mocht je behoefte hebben na zo lang uit Nederland te zijn in kroketten, sate en allerlei andere “Hollandse” dingen dan is restaurant “El sol y luna” een aanrader!

    • Ik ben er toevallig vanmiddag langsgelopen. Maar ik heb nog helemaal geen trek in Hollandse dingen hoor. Heb uitgebreid Argentijns gegeten..

      ________________________________

      De:

  2. Hoi Els,

    Wat een geweldige verhalen en foto’s! Zo te zien ben je nog lekker aan het genieten.
    John zat mij al blij te vertellen dat je snel weer terug komt, maar het mag van jou nog veeel langer duren.

    Hier gaat alles goed, we missen je natuurlijk wel op kantoor en soms worden we zelfs nog via de ID nieuwskrant op de hoogte gehouden van waar je bent. Dus ondanks dat je al zo’n lange tijd weg bent, je wordt niet vergeten, door al je collega’s niet! 🙂

    Geniet nog lekker van je mooie reizen en hopelijk heb je aan het einde van de rit plekje 3 bemachtigd op je lijst en Judith verslagen!

    Groetjes
    Lise

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s