Stuart Highway – 1161 kilometer door bijna niets

De volgende ochtend verlaat ik Katherine in de regen. De Stuart Highway is een lange, rechte weg. Je mag er 130 kilometer per uur en dat rijd je ook op je gemak. Veel kans heeft overstekend wild niet met deze snelheden, vooral ook omdat de meeste voertuigen enorme vrachtwagens zijn. Je ziet dan ook bijna meer dode kangoeroes op de weg dan levende langs de kant. Vlak voor Mataranka, 100 km onderweg, zie ik wel een heel stel wallaby’s. Die zien er bijna net zo uit als “gewone” kangoeroes, maar zijn kleiner (ca. 1 meter) en hebben een grijze vacht. Gelukkig steken ze niet de weg over, ze staan langs de kant te kijken.

Aan het eind van Mataranka staat een bord “vanaf hier 160 kilometer lang geen benzine”. Mijn tank is nog voor 75% vol, maar het zet je wel aan het denken. Veel anders te doen dan denken heb je onderweg trouwens toch niet: de radio heeft geen ontvangst, de enige “bezienswaardigheden” onderweg zijn gedenkplaatsen vanuit de Tweede Wereldoorlog. Je moet je vermaken met het rijden zelf – zo is het een belevenis om de eerste roadtrain in te halen. Zo’n vrachtwagen met 3 aanhangers is ruim 50 meter lang. Je moet eerst een soort aanloop nemen om op snelheid te komen, en dan een heel lang recht stuk voor je hebben zodat je goed zicht hebt. En dan rijd je gewoon een heel stuk op de andere weghelft. Gelukkig is er maar weinig verkeer, een tegenligger heb je hoogstens eens in de paar minuten.

Uiteindelijk race ik ook nog twee “echte” kangoeroes voorbij: oranje-bruine vacht, zo groot als een mens.

Vlak voor Daly Water wordt het even spannend. De weg is er helemaal overstroomd, over een meter of vijftig. Deze floodings heb ik de afgelopen dagen al vaak gezien, maar meestal is alleen de helft van de weg overstroomd. Dan kun je het water makkelijk omzeilen door even op de andere weghelft te gaan rijden (er is toch geen verkeer). Maar deze hier is bijna een rivier met stroming, en ook lang. Ik ben echt bang om vast te komen te zitten, mijn auto ploetert zich door het water. Het lijkt uiteindelijk erger dan het is: het is niet diep want ik kan nog steeds de strepen midden op de weg zien.

Een flooding, niet de grootste

Een flooding, niet de grootste

In Daly Waters vul ik mijn tank bij met benzine. Je kunt hier maar beter wat te vaak tanken dan te weinig. De prijzen van de benzine gaan scherp omhoog hoe verder je van de bewoonde wereld raakt: in Katherine was het 1,58 AUS dollar, in Daly Waters 1,86 dollar en later betaal ik zelfs 2,13 in Renner Springs.

Na het plaatsje Elliott, 600 inwoners inclusief school en politiepost, wordt het landschap en gelukkig ook de lucht droger. En er is helemaal niets meer te zien onderweg, zelfs geen picknickplaats meer tot 70 km voor Tennant Creek. Ik kom nog wel een paar fietsers tegen: 1 in zijn eentje ploeterend door het water, en later een man en een vrouw allebei op een eenwieler. Zo’n weg als deze trekt blijkbaar allerlei avonturiers aan.

Tennant Creek, ruim 3400 inwoners groot, is mijn eindstation voor de eerste dag rijden. Dat Tennant Creek een gehucht is van enige omvang komt door de mijnbouw. Goud en koper werden hier gewonnen sinds de jaren dertig. Er heeft een echte Gold Rush geheerst. De mijnen zijn nu gesloten.

Op Battery Hill even buiten de stad kun je alles over het mijnbouwverleden van de streek te weten komen. Er is een sociaal-historisch museum, waar je kunt zien hoe de mijnwerkers leefden (en hoe ze één vrouw naar het dorp wisten te lokken). En een mineralenmuseum. Ik ben mooi op tijd om een rondleiding onder de grond door een ex-mijnwerker mee te maken. Dit is pas de eerste dag in het seizoen dat ze tours kunnen houden, de mijn heeft ook onder water gestaan.

De mijnwerker is een echte rauwe Australiër. Voor mij en mijn Duitse tourgenoot moeilijk te verstaan. Hij heeft in de jaren 70 hier in de mijnen gewerkt. Met veel plezier laat hij alle techniek zien, het boren en drilen. We hebben grote oordoppen en een helm op gekregen bij de ingang. De vergaande veiligheidsmaatregelen zijn duidelijk niks voor hem. “Als er een steen op je hoofd viel, was je dood”.

Mijngids in actie

Mijngids in actie

Na een nacht in een motel in Tennant Creek ga ik op pad voor de laatste 500 kilometer naar Alice Springs. Het is gelukkig droog vandaag, maar nog wel bewolkt. De weg is net als gisteren: gewoon gas geven en rechtdoor.

Er is zowaar iets te zien hier onderweg: na 110 kilometer is het landschap bezaaid met “duivelsknikkers” – enorme, ronde rode stenen. Gepolijst door erosie van wind en water. Ze liggen vlak langs de weg. Er zijn een paar uitzichtpunten om foto’s te maken. En je kunt een wandeling van 20 minuten maken door het grootste veld met knikkers.

De keien zijn het mooist als de zon er op schijnt, bij zonsopgang of zonsondergang. Ik ben er om kwart voor 9, en het is nog bewolkt als ik aankom. Halverwege tijdens mijn wandelingetje breekt de zon gelukkig door, en laat zijn gloed schijnen over het gesteente. Een erg mooi natuurverschijnsel. En een welkome onderbreking van het autorijden.

Devil's Marbles - knikkers van de duivel

Devil’s Marbles – knikkers van de duivel

De laatste 3 uur zijn zo saai dat je je al gaat verheugen op een roadhouse, een benzinestation annex winkel. Ik stop in Ti-Tree, een gehucht dat al 200 kilometer van tevoren staat aangekondigd. Maar het is natuurlijk helemaal niets – een pomp en een keet waarin drank en snacks worden verkocht. Ik gooi de tank nog maar eens vol.

Op dit deel van de route zie je ook geen wilde dieren meer, zelfs nauwelijks vogels en zeker geen kangoeroes. Het wordt steeds warmer en droger naarmate je Alice Springs nadert. Iets ten noorden van de stad passeer je de Steenbokskeerkring – goed voor weer een gedenkbeeld en een picknickplaats langs de kant van de weg.

Ti Tree Roadhouse

Ti Tree Roadhouse

Aankomen in Alice Springs voelt goed: het lijkt wel een echte stad, een beetje Amerikaans als in de rode bergen van New Mexico. Genoeg te zien om een paar dagen te blijven. De rit over de Stuart Highway vond ik niet zwaar. Het is echter voor een Europeaan onvoorstelbaar hoe dunbevolkt dit gebied is. Van Nederland tot in Oostenrijk, met één stadje van 3.400 inwoners onderweg, plus een tiental gehuchten. En verder helemaal niks.

2 gedachtes over “Stuart Highway – 1161 kilometer door bijna niets

  1. Dag Els,
    Ik volg al een tijdje jouw wereldreis. De trip door Australie, die je nu maakt, heb ik ook gemaakt. Grappig om te lezen dat hetgeen bij mij zo’n indruk maakte, jou ook imponeert. Ik was vooral onder de indruk van de leegte, het urenlang rijden door niets. Het lijkt saai, mar toch is het afwisselend en zeker avontuurlijk, je weet maar nooit wat je tegenkomt. Nog een goede reis verder. Groetjes, Wilma

  2. Hoi Wilma,

    Dank voor je leuke reactie. Vandaag ben ik naar het (West) MacDonnell Nationaal Park geweest, in de buurt van Alice Springs. Wellicht ken je dat ook. Zie mijn foto’s op Flickr

    Groet
    Els

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s