Slowboat naar Thailand

Je kunt natuurlijk gewoon van Luang Prabang naar Bangkok vliegen. Maar ik kies ervoor om Laos te verlaten via de Mekong, per slowboat – een lang en smal gemotoriseerd schip. Een tocht van 310 kilometer over het water, twee dagen lang.

Het vertrek van de Luang Say is om 7 uur in de ochtend. Vroeg opstaan dus, en dat geeft me ook mooi de gelegenheid de dagelijkse ronde van de bedelmonniken in Luang Prabang mee te maken. Bij zonsopgang, rond een uur of 6, lopen circa 200 monniken uit alle kloosters van de stad een vaste ronde. Dit doen ze dagelijks om hun eten voor de hele dag bij elkaar te krijgen. Mijn hotel ligt aan het eind van de route, en de kruiken zijn dan al tot de top toe gevuld.

De Luang Say slowboat vertrekt van de kade in het centrum van Luang Prabang, 2 minuten lopen van mijn hotel. Aan boord van het schip blijken er maar 12 medepassagiers te zijn: 8 Russen en 4 Duitsers. Een slowboat is een normale vorm van openbaar vervoer hier op het water, alleen zitten er dan veel meer mensen in. Deze boot is voorzien van comfortabele stoelen en banken, en biedt plaats aan 40 mensen. Met z’n 13-en hebben we dus ruimte genoeg. Er is ook 5 man personeel aan boord, om lunch klaar te maken, ons rond te leiden bij de excursies en natuurlijk om ons veilig over de Mekong te sturen. 

OLYMPUS DIGITAL CAMERA

Al na een uur of twee is het tijd voor de eerste stop: de Pak Ou-grotten. Twee grotten, vanaf de aanlegsteiger te bereiken via steile trappen. De onderste is de mooiste: hij staat vol met duizenden Boeddha-beelden, grote en kleine. Het gebruik van deze grotten als tempels dateert uit de 15e eeuw. In het verleden kwam de koning hier jaarlijks met Laotiaans nieuwjaar voor het wassen van de beelden in een ceremonieel vaartuig. Sinds Laos in 1975 communistisch werd is er geen koning meer (die is veilig opgeborgen c.q. vermoord). De grotten worden door de plaatselijke bevolking nog wel gebruikt als tempels.

Deze rivier, de Mekong, is wat drukker dan de Nam Ou waar ik een paar dagen geleden gekayakt heb. We zien veel andere slowboats, maar ook schepen met hele huizen erop (lijken op onze binnenvaartschepen) en speedboten. Deze laatsten doen de tocht van de Thaise grens naar Luang Prabang in de helft van de tijd als de slowboats: in 1 dag. Het zijn kleine bootjes met een mannetje achterin om te sturen, en daarvoor een stuk of 6 zitplaatsen. Ze varen zo snel dat ze voorbij zijn voordat je er erg in hebt. Je ziet alleen een flits van ingespannen zittende passagiers met helmpjes op.

Na een lunch aan boord bezoeken we het dorpje Ban Bo. Het is een gemengd dorp, met Lao Loum bewoners (uit het laagland) en Khamu (uit het middengebergte). De Khamu zijn het dorp pas 3 jaar geleden komen versterken: ze hebben hun oude dorp verlaten, de regering probeert de dorpjes wat groter te maken zodat er een schooltje en wat gezondheidszorg gecreëerd kunnen worden. Het dorp is alleen via het water te bereiken, er is geen weg naar toe.

Dorpsplein voor de tempel

Dorpsplein voor de tempel

Dit dorp heeft inderdaad een lagere school – 5 jaar lang kunnen de kinderen naar school. Daarna moeten ze naar een andere plaats, maar vanwege de kosten die dat met zich meebrengt doet bijna niemand dat. Ook voor de dichtsbijzijnde kliniek moeten ze enkele uren varen. De gemiddelde levensverwachting in Laos is ook maar 58 jaar.

Het dorp heeft een eigen tempel. De inwoners brengen iedere ochtend eten naar de monniken – ze hoeven niet langs de deuren zoals in Luang Prabang. “Dan hoeven de monniken niet zo hard te werken,” zegt onze gids. De enige monnik die ik hier zie ligt geheel in Laotiaanse stijl op de grond te slapen op de veranda van de tempel. 

De inwoners van Ban Bo verbouwen verbouwen pinda’s en katoen. Van de katoen weven ze stoffen, en die bieden ze dan weer te koop aan. Het hele hart van het zo idyllisch en onontdekt lijkende plaatsje is een souvenir-stoffenmarkt. Gelukkig kopen mijn Russische medepassagiers graag.

Na een half uurtje rondkijken varen we weer verder. Net voor zonsondergang, tegen 6 uur, komen we aan ik Pakbeng. Daar gaan we van boord om de nacht door te brengen in een luxe lodge iets buiten het plaatsje.

De Luang Say legt aan in Pakbeng

De Luang Say legt aan in Pakbeng

De volgende ochtend is het vertrek weer om 7 uur. Het is mistig vandaag vroeg in de morgen. Het uitzicht onderweg is weer hetzelfde als gisteren, en ook vergelijkbaar met de kayak-tocht die ik eerder deze week maakte: een lage rivier van zo’n 50 meter breed, dichte groene gemengde bossen langs de kant. Om de 10 kilometer of zo een dorpje. Daar tussendoor zie je vissers, rondstruinende kinderen, goudzoekende vrouwen. En vee, inclusief de grappige roze waterbuffel waarvan ik eerst dacht dat het een heel groot varken was.

De stop van deze tweede dag is bij een Hmong-dorp. De Hmong zijn de traditionele bewoners van het hoogland van Laos. Ze zijn een beetje “besmet” omdat ze in de jaren zeventig met steun van de Amerikaanse CIA vochten in de Laotiaanse “geheime” oorlog. De meesten zijn na de machtsovername van de communisten in Laos gevlucht naar het buitenland.

Dit Hmong-dorp, Houei Lam Pan, heeft 50 huizen en 300 inwoners. Het heeft als bijnaam “het rieten dorp” vanwege de rieten daken die de huizen bedekken. De vrouwen en kinderen van het dorp staan ons al op te wachten met zelfgeborduurde armbandjes en tasjes – ze zijn blijkbaar een vaste stop voor de tourboten op de rivier.

Rieten huizen van de Hmong

Rieten huizen van de Hmong

Geen enkel dorp in Laos ziet er erg welvarend uit, maar hier is het toch nog wel een graadje erger. De kinderen hebben verwilderde haren, en zijn net als de vrouwen hardnekkiger in het proberen te verkopen van spulletjes dan de gemiddelde Laotiaan. Op een enkele oude vrouw na draagt er niemand meer de traditionele blauw-zwarte klederdracht.

De rest van deze dag breng ik lezend door, net als gisteren. Ik heb 2 thrillers uitgelezen – er is niet veel variatie in het schouwspel op de rivier en langs de waterkant. Toch is het niet saai, daarvoor is het landschap gewoon te mooi.

Al aan het begin van de middag varen we met Thailand op de linkeroever van de Mekong. We zien Thaise vlaggen, wegen met auto’s en glimmende gouden tempels. De bergen maken plaats voor vlak land. Het duurt dan nog tot kwart over 4 tot we in het Laotiaanse grensplaatsje Huay Xai zijn. Daar gaan we van boord. De douane ben je dan zo door, maar je moet de douanier nog wel even 1 dollar geven voor zijn “overwerk”. Als je na 4 uur ’s middags aankomt (en dat doen zo ongeveer alle boten) is dit een verplichte actie, ook helemaal geformaliseerd via een bord met de tarieven en tijden.

Het eindpunt in zicht: Huay Xai

Het eindpunt in zicht: Huay Xai

Voor 10.000 kip (0.90 EUR) brengt een bootje je dan naar de andere kant van de rivier, naar de Thaise grensplaats Chiang Kong. Er staat al iemand met een bordje met mijn naam aan de kade te wachten: de chauffeuse die mij naar het vliegveld van de provinciehoofdstad Chiang Rai gaat brengen. Vandaar is het dan nog maar een uurtje vliegen naar Bangkok. Indochina zit erop, op naar de volgende etappe van mijn reis: Singapore.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s