Andalusië

Vanaf vliegveld Malaga is het ongeveer anderhalf uur rijden in mijn gehuurde Peugeot 207 naar de eerste pleisterplaats, Granada. De zon schijnt fel maar het is nog wel wat frisjes.

Granada
In 1991 was ik hier ook al eens, maar daar kan ik me eigenlijk niets meer van herinneren. De eerste middag ga ik te voet naar het centrum. Granada blijkt een uitgestrekte, drukke stad te zijn. Het is een aardig eind lopen voordat ik eindelijk op het centrale plein terechtkom. Echt mooi is het er niet. Massa’s mensen verdringen zich voor de Burger King. In een van de zijstraatjes stuit ik nog op een kleine Paas-processie.

De volgende ochtend begin ik aan mijn tocht naar het Alhambra. Weer lopend: ik heb net de bus gemist en ach, het is mooi weer. Na een steile klim van 20 minuten kom ik via de parkeerterreinen bij de loketten. Beter gezegd: bij de rijen voor de loketten. Hoewel ik er al om half 9 ben staan er toch al wel zo’n 300 man voor mij. Had ik toch maar vooraf via internet een kaartje besteld!

Via luidsprekers wordt meegedeeld hoeveel kaartjes er nog over zijn: 150 voor de ochtend en 750 voor de middag. De ochtend gaat dus niet meer lukken gezien de massa voor me. Pas na ruim anderhalf uur ben ik eindelijk aan de beurt. Ik ‘mag’ voor 12 EUR een kaartje kopen waarmee ik vanaf 2 uur het complex in mag. Toegang tot de paleizen is nog verder beperkt: daar moet ik me om 4 uur melden om naar binnen te gaan. Ik koop snel een broodje met een kop koffie als verlaat ontbijt, en ga dan terug naar het hotel om de tijd te overbruggen.

Granada 107
’s Middags om 2 uur sta ik weer voor de poorten van het Alhambra. Het is feitelijk een groot park bovenop de berg. Ik loop eerst naar het Generalife, waarvan de tuinen en vijvers het best bewaard zijn gebleven. Je ziet hier bloeiende mediterrane planten die voor een Nederlander wel exotisch overkomen. Het kaartjesgedoe mag dan vervelend zijn, maar het zorgt er wel voor dat het eenmaal ter plekke nog prettig toeven is.

Voor de lunch strijk ik neer op de binnenplaats van een klein hotelletje op het terrein van het Alhambra (América). Geweldig centrale locatie, en helemaal niet duur.

Bij de toegangspoorten voor de Moorse Paleizen is het weer in de rij staan geblazen. Ik kom toevallig achter precies dezelfde Oostenrijkers terecht als vanochtend in de rij voor de kaartjes. Hier bij de paleizen laten ze elke 5 minuten groepjes binnen. Daardoor kun je redelijk op je gemak binnen rondkijken. In ongeveer elke kamer van de paleizen zijn verfijnde versieringen en mozaieken. De beroemde Leeuwenhof, met een marmeren fontein gedragen door leeuwen, is helaas in restauratie.

Na de paleizen loop ik nog wat rond over het terrein, zit een uurtje in de felle zon en bezoek het oude kasteel (Alcazaba). Vanaf daar loop ik terug naar het centrum van Granada, via de oude straatjes van de wijk Albayzin.

Úbeda en Baeza
Vanuit Granada maak ik de volgende dag een tocht naar de stadjes Úbeda en Baeza. Die liggen een uurtje rijden naar het noorden, vlakbij de stad Jaén. Ze staan op de werelderfgoedlijst vanwege hun Renaissance-monumenten.

Borden langs de weg met ‘Patrimonio Mundial’ wijzen naar het historische Baeza, een sfeervol stadje ondanks de fabrieksrookpluimen die opstijgen uit de buitenwijken. De monumenten (voornamelijk openbare gebouwen) liggen verspreid over de stadskern tussen alle moderne gebouwen in. Het doet allemaal wat Italiaans aan. Het is lekker om hier anderhalf uur rond te lopen en ik zit even op een bankje met een ijsje.

De zusterstad Úbeda ligt een paar kilometer verderop. Úbeda en Baeza hebben zo veel monumentale gebouwen omdat ze het in de geschiedenis altijd tegen elkaar op genomen hebben: steeds meer, steeds luxer. Úbeda blijkt een veel drukkere en grotere stad. Parkeren gaat ook hier wel goed: direct onder het centrale plein. Het kost alleen wat meer moeite om het fameuze Vázquez de Molina plein te vinden, aan wegwijzers doen ze hier niet zo. Dit plein is omring door paleizen ontworpen door Andrés de Vandelvira, wiens standbeeld ook een prominente plek inneemt.

Úbeda en Baeza zijn aardige plaatsjes, maar het beste deel van de dag is toch de rit van en naar Granada. Langs de kanten van de weg zie je eindeloze olijfboomplantages.

ubeda

Doñana Nationaal Park
Vanuit Granada vertrek ik vervolgens westwaarts. Aan de Spaanse zuidwestkust ligt het Doñana Nationaal Park, een moerasgebied bekend om zijn vogels en een werelderfgoed.

Toegang to Doñana Nationaal Park is alleen mogelijk met een gids. De individuele bezoeker moet het doen met de bezoekerscentra aan de randen van het park. Ik begin in Acebuche, met een lange wandeling over de met planken belegde paden. Deze voeren je langs de beste plekken om vogels te spotten. Er staan speciale hutten vanwaar je de beestjes kunt bespieden zonder dat zij jou zien en wegvliegen. Hier in het park zitten veel (water)vogels die ook in Nederland te zien zijn. Het park ligt op de overwinteringsvluchtroute naar Afrika voor de Hollandse vogeltjes.

Ik overnacht in El Rocio. Wat een bijzonder dorpje is dat! De sfeer is moeilijk uit te leggen, maar op Spanje lijkt het in ieder geval niet meer. Het heeft eerder iets Mexicaans. El Rocio is een beroemde bedevaartplaats met een heel opvallende kerk. Ook hebben verschillende Broederschappen vanuit heel Spanje hier hun huizen. Alle straten in het plaatsje zijn van zand. Lokale inwoners rijden rond op hun paarden. Het is net een cowboystadje. Er is ook een aantal hotels, restaurants en souvenirwinkels (toeristisch is het dus wel).
El Rocio ligt aan een groot meer, waar ook al veel vogels te zien en te horen zijn.

elrocio
Na het ontbijt de volgende ochtend ga ik naar het bezoekerscentrum van La Rocina, net buiten El Rocio. Het is op een zelfde manier aangelegd als Acebuche, maar dan nog ongerepter. Zo vroeg ben ik een van de eerste bezoekers. Hoogtepunt van het hier uitgezette wandelparcours is de Arroyo de la Rocina, waar je vanaf een bruggetje de vogels kunt observeren. Maar dan moet je wel doodstil zijn – de meesten vliegen al meteen weg als ik op mijn tenen aan kom sluipen. Alleen de grotere vogels zoals de ibis en de reiger blijven zitten.

Een eindje verderop verandert het landschap in de cotos, het meest karakteristieke ecosysteem van Doñana. Het bestaat uit struiken, met heide en geurige kruiden als roosmarijn en lavendel. In dit gebied zitten alleen maar kleine vogeltjes die je wel hoort maar niet ziet. Het is wel een heerlijk gebied om doorheen te lopen, genietend van alle aroma’s (net als de volop aanwezige bijen).

donana

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s